Den Haag, 12 uur ’s middags, Grote Marktstraat,  midden tussen de winkels: een half-glazen zeecontainer, zes stropdassen naaiende dames, waaronder één zweterige Hermien. Het winkelend publiek mag met een druk op de knop de arbeidsomstandigheden bepalen: mogen de werksters naar de wc? Krijgen ze schoon drinkwater? Wordt de nooduitgang wel of niet geblokkeerd?

Mama Cash en de Schone Kleren Campagne haalden afgelopen week een stukje Bangladesh (of India of Vietnam) naar Nederland in de vorm van een pop-up sweatshop. Zo’n sweatshop waar zo’n 99 procent van onze kleren in gemaakt wordt, door mensenhanden: mannen, kinderen en voornamelijk vrouwen die gerust 12 uur per dag de hipste kleding in elkaar zetten, voor een loon waar ze aan het eind van de dag niet van rond kunnen komen.

Power breaks
Onze shift begon al anders dan gepland: die ochtend was er een vrachtwagen over de stroomtoevoer heengereden, dus we zaten zonder elektriciteit. Dat werd dus niet naaien, maar stropdassen spelden. Mijn taak bestond uit het vastzetten van één stukje binnenvoering met één speld: das na das na das na das. Voor twee uurtjes best oké. Eigenlijk dacht ik dat we nog wel een halfuur moesten toen Merel van De Groene Meisjes dit inspirerende klusje van me overnam.  Maar als je het twaalf uur per dag doet, zes dagen per week, is dat waarschijnlijk wel een ander verhaal. Ik had na twee uur al een zere nek en hoofdpijn, kun je nagaan.

Power breaks zijn niet ongewoon in veel echte kledingfabrieken. Alleen gaat het daar wel wat minder vriendelijk aan toe:  targets zijn targets, dus als de stroom eruit ligt, werk je aan het eind van de dag gewoon nog een paar uur door. Onbetaald natuurlijk. Terwijl na twee uur onze vrijheid terugkregen met koud water, koffie, koekjes en een welgemeend dankjewel als bonus.

Waarom ik dit zo’n toffe actie vind
Het mes snijdt aan drie kanten: hoewel de mensen die een shift meedraaiden over het algemeen al redelijk bewust zijn van de rotkanten van de kledingindustrie (ik zat bijvoorbeeld bij Desiree van Aandachtige blog in de groep, wat een toeval!), waren we stuk voor stuk onder de indruk. Van de saaiheid, van de hitte, van het tempo, van dat vreselijke mondkapje tegen vezels en andere troep waardoor je steeds je eigen hete adem in je gezicht voelt. Het maakt bij mij de drive om iets van verandering aan te wakkeren alleen maar groter. Ik voelde een soort solidariteit met de makers van onze kleding die ik nooit eerder zo beleefd had. En ik heb weer volop schrijfinspiratie, kan ik je vertellen.

Dan het winkelend publiek: deze sweatshop drukt hen met de neus op de feiten. Achter kleurrijke etalages van de gemiddelde winkelstraat gaat een hoop ellende schuil. Ik vind het superbelangrijk dat mensen zich realiseren dat zij het zelf zijn die het verschil kunnen maken. Wij kunnen ervoor kiezen om ons hier druk om te maken, of niet. Ook als je geen idee hebt waar je wél eerlijke kleding kunt vinden – gelukkig is er meer en meer info te vinden – kun je de kledingmerken die je graag draagt aanspreken en vragen om informatie. Hoe meer mensen dat doen, hoe groter het signaal.

Dat brengt me bij de derde kant van dat mes (ik weet niet of dit in praktijk kan, maar ach): ook de kledingproducenten worden aangesproken met deze actie. Het publiek kan een internationale petitie ondertekenen (Nog niet gedaan? Het kan ook online!) waarin een aantal specifieke merken wordt gevraagd transparanter te worden over hun productieprocessen. Want hoe je het ook went of keert: zo lang eerlijke kleding eerder de uitzondering dan de regel is, wordt het de consument wel erg lastig gemaakt om een verantwoorde keuzes te maken.

Zelfs als mensen het zouden willen, ligt de informatie niet bepaald voor het oprapen. De kledingindustrie is te ondoorzichtig, te versnipperd, te ver weg en te sjoemelig: producties worden van fabriek naar fabriek verplaatst om het goedkoper en goedkoper te maken en zelfs de opdrachtgevers hebben geen idee waar hun kleding uiteindelijk precies vandaan komt. Hoe moet de koper in de winkel dan weten dat het goed zit met die spijkerbroek? Helaas kun je in praktijk zelfs van het omgekeerde uitgaan: als er niet nadrukkelijk bij vermeld wordt onder welke omstandigheden die broek is geproduceerd, weet je eigenlijk zeker dat het mis is.

Natuurlijk is het mogelijk om eerlijke kleding te kopen: ik doe het nu zelf 1,5 jaar, ik red me prima en loop niet in lompen of jutezakken rond. Ik denk echt dat er veel welwillenden zijn die graag wat extra’s neerleggen voor eerlijke kleding, maar zolang het erg lastig is, snap ik wel dat de meerderheid van de mensen daar geen tijd in steekt.

Waar blijven de regels?
Wat mij betreft mist er nog één belangrijke partij in dit verhaal die zou moeten worden aangesproken: de (internationale) politiek en daarmee de overheid. Het is helaas duidelijk dat de modebranche deze problemen niet op grote schaal zelf gaat oplossen. Misschien weet je nog dat vorig jaar het kledingconvenant werd getekend (hier kun je je geheugen opfrissen), maar dat kwam neer op veel hoopvolle beloftes, maar weinig concrete plannen of controle. Waar blijven de regels? Het is toch niet meer van deze tijd dat wij een systeem van uitbuiting en slavernij in stand houden met onze koopdrang? Eerlijkheid moet blijkbaar worden afgedwongen en dat gaat een stuk effectiever als een overheid daar druk op zet. De politci die een dasje komen naaien zijn een hoopvol begin, maar echte maatregelen zie ik van harte tegemoet.

 

Waar denk jij dat we de oplossing voor deze problematiek moeten zoeken? Denk je dat zo’n actie kan helpen?